Psalmen 66:1-7
1
Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
2
Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
3
Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.
4
De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
5
Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.
6
Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
7
Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
Settings