Gebed om verlossing van verborgen vijanden
2
Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.
3
Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.
4
Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;
5
Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.
6
Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?
7
Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein