Een gebed om de vernietiging van de goddelozen
7
O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!
8
Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.
9
Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.
10
Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein