Een ootmoedige smeekbede om genade en reiniging
3
Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
4
Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.
5
Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.
6
Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.
7
Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.
8
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein