Psalmen 49:7-11
7
Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;
8
Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;
9
(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);
10
Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.
11
Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein