Skip to content
Psalmen 144:1-11

Psalmen 144:1-11

1
Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;
2
Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!
3
O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?
4
De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
5
Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.
6
Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.
7
Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
8
Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.
9
O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.
10
Gij, die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;
11
Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Options