Spreuken 7:5-11
5
Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
6
Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
7
En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
8
Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
9
In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;
10
En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
11
Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein