Markus 1:30-32
30
En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar.
31
En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte haar op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.
32
Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.
Settings