Leviticus 11:13-23
13
En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
14
En de gier, en de kraai, naar haar aard;
15
Elke rave naar haar aard;
16
En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
17
En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
18
En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
19
En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
20
Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
21
Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;
22
Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.
23
En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.
Settings