Steden van Juda in het zuiden
20
Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.
21
De steden nu, van het uiterste van den stam der kinderen van Juda, tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeel, en Eder, en Jagur,
22
En Kina, en Dimona, en Adada,
23
En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24
Zif, en Telem, en Bealoth,
25
En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
26
Amam, en Sema, en Molada,
27
En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28
En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
29
Baala, en Ijim, en Azem,
30
En Eltholad, en Chesil, en Horma,
31
En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
32
En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein