Jozua 12:7-23
7
Dit nu zijn de koningen des lands, die Jozua sloeg, en de kinderen Israels, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baal-Gad aan, in het dal van den Libanon, en tot aan den kalen berg, die naar Seir opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen Israels tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen.
8
Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.
9
De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;
10
De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;
11
De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;
12
De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;
13
De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;
14
De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;
15
De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;
16
De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;
17
De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;
18
De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;
19
De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;
20
De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;
21
De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;
22
De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;
23
De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;
Settings