Job 41:4-8
4
Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
5
Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
6
Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
7
Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
8
Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
Settings