Een eed van oprechtheid
5
Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
6
Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
7
Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.
8
Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?
9
Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
10
Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein