Job 20:12-16
12
Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,
13
Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;
14
Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.
15
Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.
16
Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.
Settings