Skip to content
Ezra 10:34-44

Ezra 10:34-44

34
Van de kinderen van Bani: Maadai, Amram, en Uel,
35
Benaja, Bedeja, Cheluhu,
36
Vanja, Meremoth, Eljasib,
37
Mattanja, Mathnai, en Jaasai,
38
En Bani, en Binnui, Simei,
39
En Selemja, en Nathan, en Adaja,
40
Machnadbai, Sasai, Sarai,
41
Azareel, Selemja, Semarja,
42
Sallum, Amarja, Jozef.
43
Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.
44
Alle dezen hadden vreemde vrouwen genomen; en sommigen van hen hadden vrouwen, waarbij zij kinderen gekregen hadden.

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein