Skip to content

Debir

9 verses

31.4100, 34.9600 Bekijk op Google Maps

Verzen die Debir noemen

  1. Toen keerde Jozua, en gans Israel met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar.

  2. En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;

  3. Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.

  4. De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;

  5. En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).

  6. En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,

  7. En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;

  8. En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.

  9. En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,