Skip to content

James

5 verzen · 2 familieleden

Verzen die James noemen

  1. Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus;

  2. En Andreas, en Filippus, en Bartholomeus, en Mattheus, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeus, en Thaddeus, en Simon Kananites,

  3. Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes;

  4. Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.

  5. En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeus en Mattheus, Jakobus, de zoon van Alfeus, en Simon Zelotes, en Judas, de broeder van Jakobus.