Psalmen 67
Gebed om goddelijke zegen en licht 1–3
1
Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2
God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.
3
Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
Oproep aan de volken om te loven 4–6
4
De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
5
De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
6
De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
De vrucht van Gods zegen 7–8
7
De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen.
8
God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein
Study note