Skip to content

Psalmen 52

De goddeloze grootspreker veroordeeld 1–6

1
Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.
2
Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech.
3
Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.
4
Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.
5
Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.
6
Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

De zekerheid van Gods oordeel 7–9

7
God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
8
En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:
9
Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.

De veiligheid van de rechtvaardige 10–11

10
Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos.
11
Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein