Psalmen 47
Oproep tot universele aanbidding 1–5
1
Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
2
Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
3
Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.
4
Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten.
5
Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.
Gods triomfantelijke opgang 6–8
6
God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
7
Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
8
Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
De HEERE regeert over alle volken 9–10
9
God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.
10
De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein
Study note