Psalmen 88:3-9
3
Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.
4
Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.
5
Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;
6
Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.
7
Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.
8
Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.
9
Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.
Settings