Overstelpt door diepe wateren
2
Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
3
Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
4
Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
5
Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
6
O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
7
Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein