Psalmen 41:7-12
7
En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
8
Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende:
9
Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.
10
Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
11
Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.
12
Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
Settings