Psalmen 35:4-8
4
Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.
5
Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.
6
Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.
7
Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.
8
De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.
Settings