Psalmen 35:4-12
4
Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.
5
Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.
6
Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.
7
Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.
8
De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.
9
Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
10
Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.
11
Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.
12
Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.
Settings