Skip to content
Psalmen 18:8-14

Psalmen 18:8-14

8
Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
9
Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
10
En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.
11
En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.
12
Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
13
Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.
14
En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Options