Psalmen 129:4-8
4
De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
5
Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.
6
Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;
7
Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
8
En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein