Psalmen 109:2-3
2
Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
3
En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein