8
De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
9
Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
10
Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.