Spreuken 26:1-8
1
Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.
2
Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.
3
Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.
4
Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5
Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
6
Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
7
Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
8
Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.
Settings