1
Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.
2
En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt;
3
Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.