Mattheüs 27:4-5
4
Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.
5
En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein