Skip to content
Mattheüs 27:28-31

Mattheüs 27:28-31

28
En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
29
En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
30
En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
31
En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Options