16
En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan;
17
En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?
18
En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?