De strijd bij Megiddo en de vloek over Meroz
19
De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaan, te Thaanach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin des zilvers daarvan.
20
Van den hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera.
21
De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedumin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken.
22
Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen zijner machtigen.
23
Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein