Job 8:1-7
1
Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2
Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
3
Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
4
Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.
5
Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
6
Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.
7
Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.
Settings