Job 39:5-8
5
Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
6
Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
7
Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
8
Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
Settings