1 Koningen 4:7-12
7
En Salomo had twaalf bestelmeesters over gans Israel, die den koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen.
8
En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraim.
9
De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.
10
De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het ganse land Hefer.
11
De zoon van Abinadab had de ganse landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw.
12
Baana, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartana, beneden van Jizreel, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein