Naar de inhoud

Manasseh

109 verzen · 6 familieleden

Ook bekend als: Manasses

Verzen die Manasseh noemen

Filter op boek
  1. Daartoe in de steden van Manasse, en Efraim, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,

  2. En zij kwamen tot Hilkia, den hogepriester, en zij gaven het geld, dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraim, en uit het ganse overblijfsel van Israel, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren;

  3. Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.

  4. O Herder Israels! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.

  5. God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.

  6. Manasseh, Ephraim; and Ephraim, Manasseh: and they together shall be against Judah. For all this his anger is not turned away, but his hand is stretched out still.

  7. En aan de landpale van Nafthali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse een.

  8. En aan de landpale van Manasse, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Efraim een.

  9. Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld;