Psalmen 12
Een smeekbede te midden van bedrieglijke mensen 1–5
1
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.
2
Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
3
Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.
4
De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.
5
Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
De belofte van de HEERE om te handelen 6–7
6
Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.
7
De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
Vertrouwen op Gods bewaring 8–9
8
Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
9
De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein
Study note