Psalmen 84:1-7
1
Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.
2
Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!
3
Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.
4
Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!
5
Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.
6
Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.
7
Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.
Settings