Psalmen 59:8-11
8
Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
9
Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.
10
Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.
11
De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.
Settings