Skip to content
Psalmen 18:21-32

Psalmen 18:21-32

21
De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
22
Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
23
Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
24
Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
25
Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.
26
Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.
27
Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.
28
Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.
29
Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.
30
Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.
31
Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
32
Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
Settings

Reading style

Typeface

Font size 19px

Reading width 75 chars

Options