Psalmen 105:32
Vers 32 wordt getoond met de omringende context.
29
Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.
30
Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.
31
Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.
32
Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.
33
En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.
34
Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;
35
Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landbouwe op.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein