1
Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar het overige des volks wierpen loten, om uit tien een uit te brengen, die in de heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden.
2
En het volk zegende al de mannen, die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem te wonen.