Skip to content
Mattheüs 27:28-29

Mattheüs 27:28-29

28
En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
29
En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein