Leviticus 11:29-30
29
Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;
30
En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein