Job 38:4-11
4
Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
5
Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
6
Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?
7
Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.
8
Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?
9
Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
10
Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
11
En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
Settings