Skip to content
Genesis 34:30-31

Jakobs berisping en het antwoord

Genesis 34:30-31
30
Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kanaanieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
31
En zij zeiden: Zou hij dan met onze zuster als met een hoer doen?

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein