16
En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea; en de naam der kleinste was Rachel.
17
Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.
18
En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter.